Commissie
voor Financiën en Begroting |
Commission des Finances et du Budget |
van Dinsdag 1 april 2025 Namiddag ______ |
du Mardi 1 avril 2025 Après-midi ______ |
De behandeling van de vragen vangt aan om 14.04 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Steven Vandeput.
Le développement des questions commence à 14 h 04. La réunion est présidée par M. Steven Vandeput.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
De voorzitter: De heer Vermeersch is verontschuldigd.
01.01 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, we kennen ongeveer het grote schema van de meerwaardebelasting: kleine beleggers zullen 10 % taks betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf 10.000 euro en grote beleggers met een aanmerkelijk belang van 20 % in een vennootschap worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0 % en 10 %.
In principe is ieder aandeel evenveel waard, met een gelijk winstaandeel en stemrecht. Sinds het nieuwe vennootschapsrecht kunnen aandeelhouders hiervan echter afwijken en kiezen welke rechten ze aan welke aandelen koppelen. Er zijn nu zogenaamde A- en B-aandelen met minder of meer winstdeelname respectievelijk beslissingsbevoegdheden.
Wordt bij de waardering van het aanmerkelijk belang in een vennootschap rekening gehouden met het belang van de rechten verbonden aan de verschillende soorten aandelen? Zo ja, welke parameters worden in rekening gebracht bij de waardering van een aanmerkelijk belang in een vennootschap? Is dat het aantal stemmen of het winstaandeel van de verschillende soorten aandelen?
01.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vereeck, u kunt iedere week proberen om op alle mogelijke details in te gaan. Ik zeg niet dat uw vragen onbelangrijk zijn, maar ik zal er niet op antwoorden. De grote lijnen staan in het regeerakkoord en de rest zullen we eerst in de regering bespreken. Daarna zullen we de teksten hier in het Parlement indienen. Dan zullen we zoveel tijd als u wenst spenderen om op elke lijn van de nieuwe wet in te gaan.
Vandaag zal ik dus niet op uw vragen kunnen antwoorden. Eerst moet de regering de teksten goedkeuren en dan komen die ter bespreking in het Parlement. Dan zullen we heel uitgebreid over alle modaliteiten van gedachten wisselen hier in commissie. Ik kijk daar absoluut naar uit.
01.03 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, oorspronkelijk was ik heel verbaasd dat de regeling van de algemene solidariteitsbijdrage niet beter was uitgewerkt, terwijl andere onderdelen van het regeerakkoord dat wel zijn, bijvoorbeeld de pensioenbijdrage.
Die bijdrage is nu eenmaal een gevoelige aangelegenheid. Aangezien uw regering zich al bijna twee keer de nek heeft gebroken bij de onderhandelingen over haar totstandkoming, zou ik denken dat daarover toch heldere, gedetailleerde afspraken bestaan.
Intussen kennen we uw antwoord. Als u niet kunt antwoorden, dan wil ik u en uw kabinet alvast meegeven dat het niet eenvoudig zal zijn om een wetsontwerp ter zake op te stellen en u verzoeken bij de opmaak rekening te houden met het onderscheid tussen A- en B-aandelen.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
Le président: Les questions jointes n°s 56003059C, 56003060C et 56003063C de M. Bayet et n° 56003062C de M. Legasse sont reportées à la demande des auteurs.
02.01 François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, l'accord de coalition fédérale entend élargir le champ d’action du Service des créances alimentaires (SECAL) et lui permettre de pouvoir se subroger aux droits de la victime bénéficiant d’une indemnisation autorisant le SECAL à prélever automatiquement à la source des revenus du parent débiteur de la pension le montant de celle-ci. Si les fonds ne peuvent pas être perçus, le SECAL peut verser une avance, lesdits fonds étant ensuite récupérés auprès des auteurs et/ou des compagnies d’assurances.
Assurément cet engagement d’étendre le champ d’action du SECAL et d'octroyer automatiquement les avances pour les pensions alimentaires constitue un point positif. La Ligue des familles a mis en évidence, à cet égard, une étude de l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes (IEFH) selon laquelle la transformation du SECAL en un dispositif où toutes les pensions alimentaires passent automatiquement sauf demande contraire et sous conditions est une solution efficace pour garantir le versement régulier des pensions et lutter contre la pauvreté des familles monoparentales. Pour mon parti, il est patent que toutes les familles devraient pouvoir bénéficier d’une intervention automatique du SECAL.
Monsieur le ministre, le SECAL pourra-t-il accéder directement au Registre central des décisions judiciaires ainsi qu'aux informations relatives aux allocations familiales pour faciliter et accélérer les demandes d'aide? Dans le cadre de l’accord de coalition fédérale, est-il envisagé, à terme, de faire du SECAL un fonds universel et automatique de pensions alimentaires sur le modèle de celui de la France ou du Québec?
02.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur De Smet, dans votre première question, vous faites référence à la loi du 16 octobre 2022 relative au Registre central des décisions judiciaires et à celle du 12 mai 2014 modifiant la loi SECAL de 2003.
La consultation d’un fichier central des titres exécutoires en version digitale est une avancée mais l’expédition du titre doit être disponible pour permettre sa signification par voie d’huissier avant même l’intervention du SECAL. La disponibilité en ligne des actes notariés est aussi à déterminer. Le SPF Justice travaille encore sur ce projet.
L’accès aux données sur le droit aux allocations familiales dépend d’une collaboration avec les Régions responsables. Ces données concernent uniquement les dossiers SECAL avec des créanciers d’aliments pour enfants majeurs. Le SECAL a aussi besoin d’informations sur la scolarité ou la période des stages d’insertion professionnelle de ces enfants majeurs afin de vérifier le droit à une part contributive.
L’accès aux différents cadastres des allocations familiales n’accélèrera et ne facilitera donc pas forcément les demandes d’intervention. De plus, le consentement du créancier d’aliments enfant majeur est souvent nécessaire pour consulter ses données à caractère personnel, car il n’est pas le citoyen demandeur de l’intervention du SECAL.
Pour répondre à votre deuxième question, nous examinons un recours obligatoire au SECAL dans les cas de violences intrafamiliales, afin d’assurer la perception des pensions alimentaires et de lutter contre la violence économique. Le renforcement des pouvoirs du SECAL permet de gérer les défauts de paiement des pensions alimentaires. Un certain nombre de mesures sont énumérées dans l’accord de coalition. L’accent est mis sur la suppression des obstacles pour les groupes vulnérables. Cependant, il est encore trop tôt pour déterminer si un fonds universel SECAL contribuera à ces objectifs. Des analyses supplémentaires sont nécessaires à cet effet.
02.03 François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse très claire.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
03.01 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, de nieuwe Amerikaanse regering verwerpt de minimumbelasting van 15 % op de winsten van multinationale bedrijven uit hun wereldwijde activiteiten. De Verenigde Staten trekken zich dus terug uit het multilaterale akkoord dat daarover werd gesloten binnen de OESO. De kans bestaat dat nog andere landen volgen.
Nochtans heeft het Amerikaans Congres het verdrag al geratificeerd. In totaal 130 landen, waaronder ook de lidstaten van de Europese Unie, hebben ermee ingestemd. De Europese Raad keurde ook een overeenkomstige richtlijn goed.
De minimumbelasting kan aanleiding geven tot grensoverschrijdende belastingtoeslagen, maar ook tot juridische conflicten met de bepalingen van bilaterale belastingverdragen, die met grote waarschijnlijkheid tot rechtszaken zullen leiden. Bovendien gaan die bilaterale belastingverdragen niet alleen over vennootschapsbelasting.
Ik heb een aantal vragen voor u.
Ten eerste, zal België zijn bilaterale belastingverdragen trachten aan te passen in overleg met de partnerlanden, in het bijzonder de Verenigde Staten, om in overeenstemming te blijven met de multilaterale minimumbelasting, die is afgesproken binnen de OESO?
Of zal België zijn bilaterale belastingverdragen, in het bijzonder met de Verenigde Staten, opschorten of opzeggen, om in overeenstemming te blijven met de multilaterale OESO-minimumbelasting?
Of zal België zijn bilaterale belastingverdragen honoreren en de multilaterale minimumbelasting voor Amerikaanse bedrijven opschorten of opzeggen?
Wat is het standpunt dat de Belgische regering daarover zal innemen binnen de Europese Unie?
Vindt de Belgische regering dat de Europese Unie de lidstaten achter hun veren moet zitten om die bilaterale verdragen op te schorten, dan wel op te zeggen met het oog op het multilaterale verdrag?
Vindt de Belgische regering dat de aanpassing van belastingverdragen überhaupt behoort tot de bevoegdheid van de Europese Unie, of van de lidstaten?
Vindt de Belgische regering dat de Europese Unie de Europese richtlijn over de minimumbelasting moet intrekken?
Houdt de Belgische regering vast aan de
minimumbelasting? Werkt zij aan een fiscaal alternatief? Zo ja, welk voorstel zal de
Belgische regering doen?
03.02 Simon Dethier (Les Engagés): Monsieur le ministre, selon des informations récentes relayées par la presse, l'administration fiscale entend récupérer pour 2024 un montant record de 1,17 milliard d'euros supplémentaires auprès de multinationales n'ayant pas correctement déclaré leurs bénéfices en Belgique.
Ce montant, dont 980 millions d'euros sont liés à des dossiers exceptionnels concernant un nombre restreint de grandes entreprises, représente une augmentation visiblement significative par rapport aux années précédentes.
Monsieur le ministre, la hauteur de ce rapport constitue-t-elle effectivement une exception notable par rapport aux années précédentes?
Quels sont les principaux facteurs qui expliquent ces montants particulièrement élevés, tout en comprenant les limites liées au secret fiscal dans votre réponse?
Quelles actions le gouvernement met-il en place pour assurer le recouvrement effectif de ces montants et dissuader durablement les entreprises concernées de recourir à de telles pratiques?
03.03 Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, dans le budget 2024 était prévu un rendement de 624 millions d'euros pour la mesure "impôt minimum sur les multinationales".
Mon collègue Bayet vous a déjà interrogé sur le sujet. Au sein de mon groupe, nous avons toutefois le sentiment que vous avez globalisé votre réponse alors que la question ne portait que sur la disposition de 15 % d'impôt minimum pour les entreprises ayant un chiffre d'affaires supérieur à 750 millions d'euros.
Monsieur le ministre, mes questions seront donc très claires et j'espère que vos réponses le seront tout autant.
Pourriez-vous nous indiquer le montant des versements anticipés reçus uniquement pour cette mesure spécifique? Pourriez-vous déjà confirmer que la recette totale attendue pour 2024 sera bien atteinte?
03.04 Jan Jambon, ministre: Monsieur Dethier, s'agissant de votre première question, les résultats récurrents, en retirant les résultats exceptionnels, démontrent depuis 2020 une tendance à la hausse avec des variations par année. L'année 2024 présente de bons résultats pour la cellule "prix de transfert et fiscalité internationale". Ceux-ci sont inférieurs aux résultats de 2023, mais toujours à la hausse dans le temps.
S'agissant de votre deuxième question, les résultats de la cellule "prix de transfert et fiscalité internationale" montrent que, d'une part, le recrutement de personnel supplémentaire a porté ses fruits et que, d'autre part, la décision de se concentrer davantage sur la spécialisation porte ses fruits. L'impact de la cellule s'accroît également car nous avons pu faire appel à des logiciels plus sophistiqués ces dernières années.
S'agissant de votre troisième question, l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement (AGPR) est compétente pour le recouvrement de ces créances. Le recouvrement s'effectue suivant une stratégie appliquée uniformément à toutes les personnes morales. Cette stratégie s'appuie sur les modèles de datamining et prévoit la mise en œuvre d'actions de recouvrement variées en fonction de l'importance des créances. Ces actions consistent par exemple en des saisies-arrêts simplifiées auprès des clients et des banques, des missions confiées à un huissier de justice, la prise de l'inscription hypothécaire en cas de biens immobiliers, etc. L'AGPR dispose donc d'un panier de moyens en fonction des circonstances.
Monsieur Prévot, le SPF Finances a commencé à suivre les recettes perçues en lien avec le pilier 2. Toutefois, il est particulièrement difficile d'isoler l'impact de cette mesure sur les versements anticipés. En effet, une grande partie des revenus générés par cette mesure est intégrée dans les paiements anticipés de l'impôt des sociétés.
À l'heure actuelle, le SPF Finances estime le rendement du pilier 2 à 430 millions d'euros selon les hypothèses les plus contraignantes. Ce montant pourrait bien être supérieur. En l'état, rien ne justifie la remise en question de l'estimation actuelle. Les recettes supplémentaires pour 2025 ne proviennent pas de l'UTPR mais des effets liés aux enrôlements.
Mijnheer Vereeck, ik zal uw eerste, tweede en derde vraag samen behandelen. De multilaterale of globale minimumbelasting waarnaar wordt verwezen, is in België geïmplementeerd door de wet van 19 december 2023 houdende de invoering van een minimumbelasting voor multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen op basis van een omzetting van de Europese richtlijn 2022/2523, die een veruitwendiging vormt van het politiek akkoord dat hierover werd bereikt binnen het Inclusive Framework van de OESO met 142 landen.
Voor België gaat het hier over Europees unierecht. Bij een conflict tussen unierecht en internationaal recht volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het unierecht voorrang heeft. Daar bestaat slechts één uitzondering op volgens artikel 351 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, maar die uitzondering slaat enkel op verdragen met derde landen die dateren van voor de toetreding van die lidstaat tot de Europese Unie. Het dubbelbelastingverdrag met de VS dateert van 2006, dus van na de toetreding van België tot de Europese Unie. België dient zijn dubbelbelastingverdragen dus niet aan te passen.
Wat uw vierde vraag betreft, heeft België tijdens de recente Ecofinbijeenkomst van 18 februari ervoor gepleit om in het kader van het project van de globale minimumbelasting direct te starten met de analyse van de achterliggende Amerikaanse intenties, het in kaart brengen van mogelijke oplossingen en het opstellen van een tijdlijn voor dialoog vanuit de Europese Unie en haar lidstaten met de Verenigde Staten. Het Pools voorzitterschap plant een bespreking ten gronde in de Raad tegen eind april. De Europese Commissie is intern gestart met de voorbereiding.
Uw vijfde en zesde vraag neem ik ook samen. Het afsluiten, opschorten en opzeggen van bilaterale dubbelbelastingverdragen blijft een soevereine bevoegdheid van de lidstaten.
Uw vragen 7 en 8 lijken op dit moment nog zeer voorbarig. Er zijn momenteel een Europese richtlijn en een nationale wet in werking over de globale minimumbelasting. Bovendien is er via de voorafbetalingen op de globale minimumbelasting reeds, zoals ik daarnet al zei, 430 miljoen euro aan inkomsten voor de Belgische schatkist gegenereerd.
03.05 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Ik wil voor alle duidelijkheid meegeven dat wij achter het idee van een minimumbelasting voor multinationals staan. Laat daarover geen misverstand bestaan. De reden waarom we dat idee met volle overtuiging konden steunen, was omdat de afspraken zijn gemaakt binnen de OESO tussen soevereine staten.
Ik ben ook blij te horen dat er voorbereidende gesprekken zijn of gesprekken gepland zijn met de Verenigde Staten. Dat er immers problemen aankomen in de mogelijke conflicten met het bilaterale belastingverdrag, dat meer omvat dan enkel het vennootschapsrecht, is een evidentie. Laten we dus afwachten wat die gesprekken opleveren.
Ik ben het niet volledig met u eens over de vraag of het Europese unierecht voorrang heeft op het nationaal recht wanneer het over belastingen gaat, temeer omdat u net aangeeft dat belastingverdragen op zich al volledig tot de nationale soevereiniteit behoren. Dat heeft natuurlijk niet met nationale belastingverdragen te maken. Dat heeft te maken met belastingen tout court, die op basis van verschillende artikelen, onder andere de artikelen 113 en 114 van het VWEU, een exclusieve nationale bevoegdheid zijn.
Op dat vlak hebben wij dus meer in handen.
03.06 Patrick Prévot (PS): Merci monsieur le ministre pour vos réponses.
J'entends effectivement qu'il est compliqué d'isoler l'impact des mesures avec les paiements anticipés. Il faudra néanmoins pouvoir les isoler puisque c'est vous qui avez annoncé le rendement de 624 millions d'euros pour la seule mesure "impôt minimum sur les multinationales". Actuellement, j'entends que les estimations, notamment du SPF, prévoient 430 millions. Vous avez une note d'optimisme en disant que cela pourrait être plus. Nous serons évidemment très attentifs sur le montant réel du rendement qui sera enrôlé.
L'incident est clos.
Het incident is
gesloten.
04.01 Marie Meunier (PS): Monsieur le ministre, le gouvernement Arizona a annoncé sa volonté de supprimer progressivement les écochèques, un dispositif instauré voici une quinzaine d’années pour encourager une consommation plus durable.
Cette suppression nous interroge parce que les écochèques permettent aujourd’hui aux citoyens d’acheter des produits et services plus respectueux de l’environnement, tels que des ampoules LED, des appareils électroménagers à haute efficacité énergétique, des vélos ou encore des matériaux d’isolation.
Cette mesure semble s’inscrire dans un choix plus large du gouvernement de démanteler des incitants écologiques sans proposer des solutions de remplacement ambitieuses. En effet, alors que d’autres pays mettent en place des politiques fiscales plus contraignantes sur les produits polluants et des incitants économiques pour les comportements durables, ce gouvernement fait finalement le choix inverse: supprimer un outil existant sans stratégie claire pour encourager des modes de consommation plus responsables.
Monsieur le ministre, en l’absence de ce dispositif, quelle alternative le gouvernement propose-t-il pour pallier la disparition des écochèques et maintenir, voire renforcer, l’incitation à consommer de manière durable? Pourquoi envoyer un signal négatif aux citoyens et aux entreprises qui ont progressivement intégré ces dispositifs dans leurs habitudes de consommation et de production? Enfin, le gouvernement a-t-il étudié l’impact environnemental de cette suppression?
04.02 Jan Jambon, ministre: Madame Meunier, les chèques-repas seront augmentés de deux fois deux euros. Quant aux écochèques, ils ne seront pas directement supprimés. Cette transition se fera en concertation avec les partenaires sociaux. À terme, l'élargissement des possibilités d'utilisation des chèques-repas compensera en partie la disparition des écochèques. Il s'agit de simplifier ce système qui comprend toute une série de chèques en ayant moins de types de chèques différents.
De plus, ce gouvernement mettra en place une réduction d'impôts pour toutes les personnes qui travaillent. En tant que pouvoirs publics, nous ne devons pas récompenser les citoyens avec toutes sortes de chèques, mais plutôt leur donner la liberté de dépenser leur salaire comme ils l'entendent.
04.03 Marie Meunier (PS): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.
J'entends que ce gouvernement a la volonté de ne plus avoir différentes sortes de chèques tels que des chèques-repas, des écochèques, etc. Mais j'ai encore une question. Vous allez rassembler l'ensemble de ces chèques en un seul et même chèque. Pourra-t-on toujours utiliser ce chèque dans le cadre des différentes aides énergétiques, ou pas du tout? Je n'ai pas vraiment parlé des chèques-repas. J'ai spécifiquement parlé des écochèques. J'entends cette volonté de ne plus faire de différences entre les différents chèques disponibles pour les travailleurs, mais rassembler l'ensemble de ces chèques permettra-t-il quand même aux travailleurs de pouvoir les dépenser dans ces niches bien précises que sont les produits et services énergétiques?
04.04 Jan Jambon, ministre: Nous allons élargir le champ d'application des chèques-repas à d'autres choses que strictement les repas.
04.05 Marie Meunier (PS): D'accord.
Je vous remercie pour votre réponse.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: De heer Bayet is niet aanwezig.
05.01 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, de politiezone Kempen Noord-Oost (KeNO) bood half februari – dus niet op 1 april – op haar Facebookpagina een gloednieuwe cryptomunt aan, de KeNO-coins. De zone garandeerde de investeerders een hoge winst. Ze beklemtoonde tegelijk dat het om een nepadvertentie ging om mensen te waarschuwen voor cryptoscams, dit wil zeggen oplichting met cryptomunten. Blijkbaar hebben zich bij de politiezone al vele slachtoffers gemeld die grote financiële verliezen hebben geleden. De politie raadt aan om te controleren of de verkoper geregistreerd staat bij officiële instanties.
Hoeveel meldingen van cryptoscams werden er in België tussen 2020 en 2024 gedaan? Om hoeveel slachtoffers en over welke totaalbedrag gaat het? Hoeveel geld van cryptoscams kon worden gerecupereerd?
Aan welke voorwaarden moeten aanbieders voldoen om nieuwe cryptomunten te mogen verkopen in België? Welke regelgeving is van toepassing? Welke regulator houdt toezicht op de nieuwe cryptomunten?
Aan welke voorwaarden moeten aanbieders voldoen om bestaande cryptomunten te verkopen in België? Welke regelgeving is daarop van toepassing? Welke regulator houdt toezicht op cryptomunten en wat is zijn bevoegdheid?
Plant de federale overheid een nationale campagne tegen cryptoscams, zoals de politiezone KeNO? Bij welke instantie en op welke website kunnen burgers terecht om te controleren of een verkoper officieel geregistreerd staat?
05.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vereeck, de FSMA onderscheidt verschillende types beleggingsfraude.
Cryptoscams worden beschouwd als oplichting gepleegd door frauduleuze onlinetradingplatformen. De cijfers voor dat type beleggingsfraude zijn de volgende. In 2024 waren er 1.281 meldingen. Dat is 49 % van het totaal aantal meldingen over onregelmatige activiteiten. In 2023 waren het er 993 (46 %), in 2022 waren het er 716 (46 %), in 2021 waren het er 833 (43 %) en in 2020 waren het er 571 (36 %). De cijfers gaan dus in stijgende lijn.
De cijfers hebben betrekking op het aantal meldingen, maar niet iedereen die de FSMA contacteert, heeft al geld overgeschreven en is dus slachtoffer.
Wat waren nu de verliescijfers? In 2024 ging het over 16 miljoen, in 2023 over 15 miljoen, in 2022 over 16 miljoen, in 2021 over 25 miljoen en in 2020 over 20 miljoen. In totaal over die periode van 5 jaar ging het dus over 95.342.000 euro. Ik zal u de exacte cijfers bezorgen.
Ten tweede, de FSMA is niet bevoegd om slachtoffers te helpen bij de recuperatie van hun fondsen. Daarom raadt de FSMA slachtoffers van fraude steeds aan om klacht neer te leggen bij de lokale politie of de gerechtelijke autoriteiten. In ieder geval is het in de praktijk voor slachtoffers nagenoeg onmogelijk om de verloren bedragen te recupereren.
Ten derde, de Europese verordening 2023/1114 betreffende cryptoactivamarkten (MiCAR) definieert aanbieders van cryptoactivadiensten, de CASPs, als rechtspersonen of andere ondernemingen die een of meer cryptoactivadiensten professioneel aanbieden aan cliënten. Die rechtspersonen mogen, mits zij daarvoor een vergunning hebben verkregen, cryptoactiva omwisselen voor geldmiddelen. De CASP-entiteiten moeten dus een vergunning hebben of, indien ze deel uitmaken van in de artikel 60 van de MiCAR bedoelde gereguleerde entiteiten, bijvoorbeeld banken, hun MICAR-bevoegde autoriteit in kennis te stellen overeenkomstig de vereisten van de verordening. De MiCAR voorziet ook in een specifiek regime voor de uitgifte, de aanbieding aan het publiek en de toelating van cryptoactiva tot de handel.
Ten vierde, de regeringsvorming heeft geleid tot een uitstel van de implementatie van de MiCAR-wetgeving in België. Zo werden de bevoegde nationale autoriteiten voor die verordening in België nog niet aangesteld. Die situatie wordt binnenkort geremedieerd. Mijn kabinet werkt namelijk momenteel aan het voorontwerp van wet dat voor de aanstelling van de bevoegde autoriteiten zal zorgen.
Ten vijfde en ten zesde, de Europese verordening maakt geen onderscheid tussen de omwisseling van geldmiddelen voor nieuwe of voor bestaande cryptomunten voor CASPs. Ik verwijs in dezen naar het antwoord dat ik zopas heb gegeven.
In 2024 bundelde de FSMA de krachten met andere autoriteiten die actief zijn in de strijd tegen onlinebeleggingsfraude. Samen maakten zij een reportage om het grote publiek te sensibiliseren en te helpen om niet in de valstrikken te trappen die fraudeurs spannen. Die reportage is een gezamenlijk initiatief van de Belgische beroepsvereniging van de banksector, Febelfin, de federale gerechtelijke politie, Safeonweb en de FSMA. In de strijd om de onlineoplichting een halt toe te roepen, heeft de FSMA de afgelopen jaren ook via Wikifin, haar programma voor financiële geletterdheid, verschillende sensibiliseringscampagnes gelanceerd.
Ten slotte, de artikelen 109 en 110 van de verordening geven de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten de bevoegdheid om een centraal register van cryptoactiva, witboeken, geautoriseerde cryptoactiva, dienstverleners en niet-conforme entiteiten te publiceren. Dat register kan worden geraadpleegd. In België heeft de FSMA ook het publiek herhaaldelijk gewaarschuwd voor de activiteiten, inclusief de cryptomuntenfraude, van verschillende ondernemingen die op onregelmatige wijze actief zijn in België. De openbare lijst van ondernemingen kan ook worden geraadpleegd op de site van de FSMA.
05.03 Lode Vereeck (VB): Dank u, mijnheer de minister, voor uw duidelijke antwoord. Ik denk dat u op alle vragen hebt geantwoord. U hebt ook aangegeven waar we terecht kunnen op de site van de FSMA. Ik begrijp dat er alleen nog werk aan de winkel is om onze MiCAR-autoriteit aan te duiden, maar misschien kan een bestaande instelling met de taken ter zake gelast worden. We zullen wel zien of u kiest voor een aparte autoriteit of niet.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
06.01 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, de fiscale administratie mag een fiscale controle bij een bedrijf alleen uitvoeren als ze toestemming vraagt voor dergelijke controle en als ze via de hoofdingang het bedrijfspand betreedt. De BBI controleerde onlangs de boekhouding van een machinebouwbedrijf. Omdat de hoofdingang gesloten was, zijn de inspecteurs via een zijingang, een openstaande garagepoort, binnengegaan. Daar bevond zich een administratief bediende, die niet op de hoogte bleek van een mogelijke fiscale controle.
Het hof van beroep te Gent veroordeelde die aanpak en stelde dat de BBI via de hoofdingang naar binnen had moeten gaan. Daarnaast volstond de toestemming van een onwetende administratieve medewerker niet. Het hof besliste daarom de fiscale boete volledig kwijt te schelden wegens grove onachtzaamheid van de fiscale administratie.
Wie wordt er aangemerkt als bevoegd persoon waaraan toestemming voor een fiscale controle moet worden gevraagd? Hoe kan een BBI'er die persoon identificeren en contacteren? Kan een bedrijf een gevraagde fiscale controle weigeren? Wat zijn daarvan de gevolgen?
Hoeveel tijd op voorhand moet een fiscale controle worden aangevraagd? Wat is de reden of oorzaak dat de fiscale inspecteurs van de BBI de wettelijke procedures, in casu het gebruik van de hoofdingang en de toestemming vanwege een bevoegd persoon, niet hebben gevolgd? Werd er een analyse gemaakt? Is het niet 100 % op de hoogte zijn misschien een hiaat in de opleiding? Wat is de te volgen procedure voor een fiscale controle als de hoofdingang gesloten is en de bevoegde persoon afwezig is?
Onrechtmatig verkregen bewijs, bijvoorbeeld door foltering of huisvredebreuk, kan afbreuk doen aan de rechtmatigheid van het bewijs, waardoor het recht op een eerlijk proces wordt geschonden. Brengt het gebruik van een openstaande zijingang het recht op een eerlijk proces in het gedrang? Zo ja, waarom? Zo nee, zal de regering de fiscale wetgeving dienovereenkomstig aanpassen?
Brengt de afwezigheid van een bevoegd persoon het recht op een eerlijk proces in het gedrang? Zo ja, waarom? Zo nee, zal de regering de fiscale wetgeving dienovereenkomstig aanpassen? Ter info, voor mij is wetgeving de uitkomst van een toevallige parlementaire meerderheid. Wij zijn uiteindelijk de wetgevende macht.
Welke andere procedurele voorschriften voor fiscale controles acht de regering niet schadelijk voor het recht op een eerlijk proces en zal zij dienovereenkomstig aanpassen?
06.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vereeck, mijn administratie heeft kennisgenomen van de arresten en analyseert ze momenteel, maar gelet op het beroepsgeheim waartoe mijn diensten gehouden zijn, mag de administratie geen specifieke informatie meedelen over individuele dossiers. Ik zal uw vragen dus in algemene zin beantwoorden om de privacy niet te schenden.
Wat uw vragen één tot en met vijf betreft, wijst de administratie erop dat het Wetboek van de inkomstenbelastingen een medewerkingsplicht voorziet, waardoor de belastingplichtige gehouden is de bevoegde ambtenaar vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen. Wat het visitatierecht betreft, stipuleert het Wetboek van de inkomstenbelastingen immers het volgende, ik citeer: "Natuurlijke of rechtspersonen zijn gehouden aan de ambtenaren vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen, teneinde aan die ambtenaren enerzijds de mogelijkheid te verschaffen de werkzaamheden vast te stellen en het bestaan, de aard en de hoeveelheid na te zien van de voorraden en voorwerpen en anderzijds de bovenbedoelde ambtenaren in staat te stellen om alle boeken en bescheiden die zich in de voornoemde lokalen bevinden, te onderzoeken."
Op grond van voormelde bepalingen is de administratie gerechtigd om, naast aangekondigde bezoeken ter plaatse, ook onaangekondigde controles uit te voeren. In het kader van fraudebestrijding zijn onaangekondigde controles vaak noodzakelijk. De administratie stelt steeds alles in het werk om de bevoegde personen gedurende de voorbereiding van controles te identificeren. In geval van afwezigheid van de belastingplichtige tijdens de controle ter plaatse zal de administratie onmiddellijk proberen contact met hem op te nemen om zijn toestemming of die van een andere naar behoren gemachtigde persoon te verkrijgen voor de uitvoering van de controle. De rechtspraak heeft immers bevestigd dat de belastingplichtige niet noodzakelijk fysiek aanwezig hoeft te zijn tijdens de controle, op voorwaarde dat hij of zij zijn of haar akkoord heeft gegeven voor de uitvoering ervan.
Overeenkomstig de voormelde bepaling inzake visitatierecht dient de belastingplichtige vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen of de lokalen waar rechtspersonen hun werkzaamheden uitoefenen, zoals kantoren, fabrieken, werkplaatsen, werkhuizen, magazijnen, bergplaatsen en garages of tot hun terreinen die als werkplaats, werkhuis of opslagplaats van voorraden dienstdoen.
De wet stelt niet langs welke ingang de bevoegde ambtenaren verplicht toegang moeten nemen. Bij weigering tot medewerking aan de fiscale visitatie kan een administratieve boete worden opgelegd of een dwangsom worden gevorderd. De administratie hecht een uiterst groot belang aan het naleven van de wettelijke bepalingen die de fiscale procedure, inclusief haar controle- en onderzoeksbevoegdheden, regelen. Daartoe wordt binnen de administratie een zeer grondige cursus over de fiscale procedure gegeven en wordt steeds ingezet op permanente opleidingen om de kennis up-to-date te houden. In de praktijk verlopen de meeste fiscale visitaties trouwens zonder incidenten en werkt de belastingplichtige mee.
Wat uw zesde tot en met achtste vragen betreft, bestaat het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, uit een burgerrechtelijk en een strafrechtelijk aspect. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bevestigd dat alleen het strafrechtelijk aspect van dit recht van toepassing is op fiscale zaken en dan nog alleen als de belastingplichtige gegronde redenen heeft om te vrezen dat de fiscale procedure zal leiden tot sancties van strafrechtelijke aard.
Er wordt verwezen naar pagina 46 van het regeerakkoord, waar expliciet staat dat de problematiek inzake onrechtmatig verkregen bewijs in een duidelijk wettelijk kader moet worden opgenomen. Zoals al vermeld, bepalen de artikelen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en het Wetboek belasting toegevoegde waarde wie bij een fiscale controle toegang moet verlenen tot de professionele lokalen, maar ze specifiëren niet via welke ingang de ambtenaren van de administratie naar binnen moeten gaan.
In het kader van de toetsing van de conformiteit van die artikelen met het recht op de eerbiediging van het privéleven heeft het Grondwettelijk Hof bevestigd dat de artikelen voldoende duidelijk en precies zijn in het licht van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
06.03 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Ik ben een sterk gelover in de rechtsstaat. Dat wil zeggen dat mijn partij en ikzelf de uitspraken van rechtbanken altijd accepteren, maar dat betekent niet dat men het daarmee eens moet zijn; dat is een andere vraag. Ik meen uit uw antwoord te hebben begrepen dat het feit dat men niet langs de hoofdingang was binnengegaan geen reden mocht zijn om de controle te annuleren.
Ik begrijp ook dat u een aantal aanpassingen zult doen aan de wetgeving. Ik ben absoluut geen voorstander van fiscale raids bij kmo's waarover ik soms hoor, waarbij de inspecteurs van de Btw-administratie of de RSZ binnenvallen en daar de boel bijna platleggen met hun controles. Ik ben uiteraard ook geen voorstander van het binnenbreken via een raampje. Dat begrijp ik allemaal, maar via een openstaande deur, zoals in dit geval, moet het inderdaad wel kunnen. U zult dat dus aanpassen.
Ik wil voorstellen om de sanctie ten aanzien van de BBI aan te passen. Een fiscale boete volledig kwijtschelden vanwege een procedurefout vind ik een brug te ver.
Er kunnen misschien bepaalde zaken in mindering worden gebracht. Ik weet niet of dat juridisch mogelijk is. Dit vind ik echter geen reden om de boel volledig te annuleren. Misschien kunt u bij het herschrijven van de wetgeving bepalen welke fiscale boete een eerder milde procedurefout moet krijgen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
07.01 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, uit berekeningen van de studiedienst van het ACV op basis van de begrotingstabel blijkt dat alleenstaanden met een laag inkomen en eenverdieners, vaak alleenstaanden maar ook gezinnen met één laag of hoger inkomen, er tussen 2025 en 2028 financieel op achteruitgaan ten gevolge van de fiscale maatregelen van de regering in de personenbelasting. In ieder geval stemmen de berekeningen over de impact van de belastingvrije som overeen met de informatie die u vorige week verstrekte.
Een gezin zonder kinderen met één inkomen van 2.200 euro bruto per maand zou 160 euro per jaar minder overhouden in 2028. Een gezin zonder kinderen met één inkomen van 6.000 euro bruto per maand verliest 1.200 euro per jaar in 2028. Klopt het dat alleenstaanden met een laag inkomen en gezinnen met één laag of hoger inkomen er financieel op achteruitgaan in de jaren vóór 2029?
Ten tweede, wil de regering de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid enkel afschaffen voor alleenstaanden of verlagen voor alle belastingplichtigen? Hoeveel zou die verlaging bedragen?
Hoeveel bedraagt de verhoging van de werkbonus? Vanaf welk jaar gaat de verhoging in?
07.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vereeck, zoals gewoonlijk worden de maatregelen van een regeerakkoord gespecificeerd tijdens een volgend begrotingsconclaaf en gedetailleerd in de begrotingsnotificaties die de ministerraad aanneemt. De gevraagde raming en analyses zijn dus nog niet beschikbaar. Ik zal daarover terugkoppelen naar de commissie, zodra de ministerraad ze heeft aangenomen. Ondertussen kan iedereen om het even wat loslaten op de publieke opinie, maar wij kunnen alleen met afgewerkte teksten werken. Zodra die zijn afgewerkt, zal alle informatie in detail ter beschikking zijn.
07.03 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, het is niet aan mij om uw politieke communicatie te bepalen, maar zolang u om het even wat toelaat, ontstaat er natuurlijk heel veel onrust, die u dan voortdurend moet corrigeren. Ik heb gezien dat u ondertussen via Instagram de beweringen over de pensioenen hebt gecorrigeerd. Ik wil u toch echt aanmoedigen om zo snel mogelijk met die cijfers te komen. Ik had gehoopt dat die bij de beleidsverklaring zouden zitten in de vorm van een begrotingstabel conform het Reglement van de Kamer.
Ik kan u dus alleen maar aanmanen om zo snel mogelijk met concrete cijfers te komen om de sociale onrust in de samenleving eventueel van antwoord te dienen, zodat we het ten minste over de echte cijfers hebben en niet over allerlei speculaties.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
08.01 Lode Vereeck (VB): Op een gereglementeerde spaarrekening gelden voor het inkomstenjaar 2025 een fiscale vrijstelling op de renteopbrengsten tot 1.050 euro en daarboven een lager tarief van de roerende voorheffing van 15 %. Hoewel het fiscale voordeel geldt per persoon, worden ook de renteopbrengsten van de spaarrekeningen van minderjarige kinderen fiscaal in rekening gebracht, gelet op het zogenaamde genotsrecht van de ouders die nog toegang hebben tot die spaarrekeningen. Gegeven een gemiddelde rentevoet van 1,55 % op spaarrekeningen worden de renteopbrengsten dus belast zodra het familiale spaartegoed van vader, moeder of een van de kinderen meer dan 67.740 euro bedraagt per meerderjarige persoon.
De regering en een van uw partijgenoten wilden op vraag van de Europese Unie de discriminatie tussen de gereglementeerde spaarrekening en andere spaar- en beleggingsvormen afschaffen en vervangen door een begrotingsneutraal voorstel inzake de vrijstelling voor inkomsten uit spaardeposito's waarbij de bestaande belastingverminderingen en -vrijstellingen worden geharmoniseerd, met meer vrijheid voor de belastingplichtige via een fiscale korf voor alle roerende inkomsten.
Dat brengt mij tot een aantal vragen.
Geldt de familiale fiscale globalisering ook voor renteopbrengsten uit spaarrekeningen van minderjarige kinderen waarop de ouders geen genotsrecht hebben? Mag ik, met andere woorden, als ouder dat genotsrecht afstaan of verwerpen? Welke stappen dien ik daartoe te nemen? Bestaan er überhaupt spaarrekeningen zonder genotsrecht voor de ouders? Zijn er wettelijke of reglementaire obstakels om spaarrekeningen voor minderjarigen zonder genotsrecht van de ouders aan te bieden, al was het maar om die fiscale globalisering te vermijden?
Welke roerende inkomsten worden vrijgesteld in de fiscale korf? Welk bedrag wordt vrijgesteld in de fiscale korf?
Welk tariefpercentage van de roerende voorheffing is van toepassing op bedragen boven het bedrag van de fiscale korf? Uw partijgenoten wilden immers een verhoging van 15 % naar 30 % doorvoeren. Is die roerende voorheffing bevrijdend?
Zal de fiscale korf al dan niet van toepassing zijn op minderjarige kinderen? Zo ja, kunnen de ouders het genotsrecht verwerpen?
08.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vereeck, uw vragen 1 tot en met 3 hebben in de eerste plaats betrekking op het burgerlijk recht en het familierecht en vallen dus onder de bevoegdheid van de minister van Justitie.
Uw vragen 4 tot en met 6 zijn nog een beetje voorbarig en hebben betrekking op hangende wetsvoorstellen waarover in deze commissie nog gedebatteerd zal worden.
Ik zal, conform het regeerakkoord, de uitspraak van het Europees Hof van Justitie afwachten en in geval van een veroordeling een begrotingsneutraal voorstel aan de regering doen, maar dat kan ik pas doen na uitspraak van het Europees Hof van Justitie.
08.03 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, ik begrijp dat sommige vragen voor de minister van Justitie zijn, maar een spaarrekening zonder genotsrecht voor de ouders is een financieel product. Het is uw verantwoordelijkheid om te weten of dat al dan niet bestaat en of een dergelijk product al dan niet door de banken mag worden aangeboden. Dat is dus een vraag over een product en niet zozeer een vraag over burgerlijk recht.
Voor de fiscale korf blijft het afwachten, hoewel ik denk dat het toch belangrijk is dat u snel duidelijkheid schept of u het verlaagde tarief zult toepassen op alle financiële activa, dan wel of u het tarief zult verhogen naar 30 %.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56003253C van de heer Vermeersch vervalt, want hij is niet aanwezig. Om dezelfde reden vervallen de vragen nrs. 56003336C, 56003337C, 56003338C, 56003339C en 56003340C van de heer Van Quickenborne.
09.01 Roberto D'Amico (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, les prix de l’énergie sont en hausse; sur les quatre derniers mois, la facture annuelle d’électricité a augmenté de plus de 250 euros tandis que la facture de gaz a augmenté de plus de 220 euros.
En octobre 2022, le gouvernement fédéral avait décidé d’augmenter les taxes sur la facture d’énergie. Résultat: nous payons aujourd’hui davantage de taxes sur le gaz et l’électricité. Pour le gaz naturel, il s'agit d'une augmentation des droits d'accises de 7,69 euros par MWh. Pour l'électricité, il s'agit d'une augmentation des droits d'accises de 33,88 euros par MWh.
J'ai interrogé le ministre de l'Énergie, le jeudi 27 février, en séance plénière, pour savoir si le gouvernement envisageait de baisser les accises pour faire baisser les factures d’énergie des Belges mais je n’ai pas eu de réponse de sa part. Je lui ai donc reposé la question et le ministre Bihet a décidé de vous renvoyer la patate chaude, monsieur le ministre des Finances.
Voici donc ma question. Elle est courte. Allez-vous diminuer les accises sur la facture d’énergie?
09.02 Jan Jambon, ministre: Cher collègue, en collaboration avec le ministre de l'Énergie, j'examinerai les modalités d'un tax shift des produits énergétiques afin d'atteindre les objectifs climatiques. Le gouvernement mettra ensuite ce tax shift en œuvre sans augmenter la facture moyenne des ménages et des entreprises. Le gouvernement veillera à ce qu'aucun coût stratégique fédéral supplémentaire n'apparaisse sur la facture d'électricité des ménages et des entreprises.
09.03 Roberto D'Amico (PVDA-PTB): Si j'ai bien compris, vous venez de dire qu'il n'y aura pas d'augmentation mais vous n'avez pas dit qu'il y aura une diminution. C'est bien cela qui me chagrine. Aujourd'hui, on paie 100 euros de taxes en plus sur notre facture d'énergie par rapport à 2019. Justement, à ce sujet, j'ai déposé une proposition de loi avec le PTB pour diminuer les accises sur la facture d'énergie. Je vous remercie.
Het incident
is gesloten.
L'incident est clos.
10.01 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, op LinkedIn postte u op 7 maart een berichtje dat de fiscale administratie, na twee arresten van het Hof van Cassatie, het Frans-Belgisch dubbelbelastingverdrag uit 1964 voortaan zal respecteren, waardoor de Belgische roerende voorheffing zal verminderen met het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting, zowel wanneer de dividenden worden aangegeven in de personenbelasting als wanneer zij voorwerp hebben uitgemaakt van de bevrijdende roerende voorheffing en dus niet zijn aangegeven in de personenbelasting. De Belgische Staat zal dus verplicht zijn om een forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting ten belope van 15 % terug te storten aan de genieters van Franse dividenden die zowel in Frankrijk als in België belasting en roerende voorheffing hebben betaald.
Mijnheer de minister, wordt het besluit van de fiscale administratie ook retroactief toegepast? Met andere woorden, krijgen de genieters van Franse dividenden al hun ooit te veel betaalde Belgische roerende voorheffing terug?
Binnen welke termijn en hoe ver terug in de tijd zal de fiscale administratie de te veel betaalde Belgische roerende voorheffing op Franse dividenden terugstorten?
In geval de roerende voorheffing niet werd aangegeven in de personenbelasting, maar het voorwerp uitmaakte van de bevrijdende roerende voorheffing, wie moet dan die te veel betaalde Belgische roerende voorheffing op Franse dividenden terugvorderen? Zijn dat de ondernemingen, in casu dan vooral de banken, die de roerende voorheffing voor hun cliënten al hadden doorgestort, of zijn het de particuliere genieters van de Franse dividenden?
Wat zijn de budgettaire kosten van de terugstorting van de te veel betaalde Belgische roerende voorheffing op Franse dividenden?
10.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vereeck, de genieters van Franse dividenden die een geldig administratief of gerechtelijk beroep hebben ingesteld, komen in aanmerking voor een terugstorting van het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting (FBB). Indien Franse dividenden in de personenbelasting werden aangegeven, zal het FBB verrekend worden bij de vestiging van de aanslag. Zodra een beslissing is genomen, zal overeenkomstig die beslissing het FBB worden teruggestort.
Terugbetalingen vinden over het algemeen plaats aan het eind van de tweede maand na de administratieve of gerechtelijke beslissing. Instructies worden gegeven om die zaken zo snel mogelijk af te handelen. In het geval van een gerechtelijke procedure is er echter een vonnis of arrest nodig, voordat de tenuitvoerlegging kan worden bevolen.
De terugstorting dient in principe aangevraagd te worden door de genieter van de Franse dividenden, aangezien enkel die persoon het recht heeft op de terugstorting van het FBB en de nodige gegevens kan verstrekken omtrent de ingehouden Franse bronheffing.
Mijn administratie beschikt niet over de exacte gegevens waarnaar u in uw vierde punt vraagt.
10.03 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Ik begrijp dus dat de genieters van Franse dividenden eerst zelf stappen zullen moeten ondernemen en gerechtelijk of administratief beroep moeten aantekenen. Ik vermoed dat dat administratief beroep bij de fiscus zelf zal moeten worden ingesteld. Is dat dan bij de fiscale bemiddelingsdienst? Voor het gerechtelijk beroep zal het dan voor een fiscale rechtbank moeten zijn.
Als men in Vlaanderen recht heeft op bepaalde bedragen, dan worden die automatisch teruggestort. Ik begrijp nu beter waarom u uw boodschap via LinkedIn hebt verspreid. U hebt de betrokkenen willen informeren, aangezien ze zelf actie moeten ondernemen. Het is misschien interessant om daar wat meer ruchtbaarheid aan te geven. Het gaat immers om te veel betaalde belastingen. Kunt u mij zeggen waar ze administratief beroep moeten aantekenen? Is dat bij de fiscale bemiddelingsdienst?
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
11.01 Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, comme nous l'avons déjà dit, votre accord de gouvernement est profondément injuste à bien des égards. Cette mesure en fait malheureusement partie, puisque vous prévoyez une augmentation de TVA sur le charbon et sur l'installation de chaudières à combustibles fossiles, telles que celles fonctionnant au mazout, au gaz, etc.
Pour l'achat d'une chaudière, vous prévoyez donc une augmentation de 15 % de la facture pour les citoyens.
Ce n'est pas un secret, votre accord de gouvernement est très pauvre en matière d'ambition climatique. Pourtant, lorsqu'il s'agit de prendre des décisions antisociales en matière de TVA, vous vous drapez soudainement de vert. En réalité, vous mettez en place une stratégie punitive en augmentant la TVA sur les produits que vous appelez "nuisibles au climat", tels que les chaudières à combustion et le charbon.
Pardonnez-moi de vous le dire, monsieur le ministre, ce n'est pas une stratégie d'ambition climatique mais juste une augmentation de taxes sur la consommation qui vise les plus fragiles et qui ne s'accompagne malheureusement d'aucune mesure de correction sociale.
Monsieur le ministre, à quel moment ces augmentations de TVA entreront-elles en vigueur?
Allez-vous, oui ou non, réfléchir à des mesures socialement justes pour aider les citoyens qui voient leur facture augmenter de 15 % juste pour remplir les caisses de l'État?
11.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Prévot, je peux vous confirmer que le gouvernement envisage en effet de porter le taux de TVA de 6 % à 21 % pour les opérations incluant la fourniture et la fixation à un bâtiment de tout ou partie des éléments constitutifs de la partie spécifique d'une installation de chauffage central à combustion fossile.
Cette mesure, applicable tant pour les habitations de plus de 10 ans que dans le cadre de la démolition de bâtiments et la reconstruction d'habitations, devrait entrer en vigueur le 1er juillet pour des raisons de simplification administrative dans le chef des opérateurs concernés.
Il en va de même pour l'augmentation du taux de TVA applicable au charbon et à ses dérivés.
Conformément à l'accord de gouvernement, l'installation de pompes à chaleur bénéficiera à terme d'une baisse temporaire du taux de TVA.
Par ailleurs, l'accord de gouvernement prévoit une série de mesures fiscales visant à augmenter le salaire poche de nos concitoyens qui travaillent.
11.03 Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Elle a été courte.
Alors, certes, vous dites qu'il y aura des incitants pour l'installation de pompes à chaleur, par exemple. Mais le problème qui nous occupe aujourd'hui, en tout cas qui m'occupe et qui me préoccupe visiblement davantage que vous et les membres du gouvernement, ce sont évidemment les mesures antisociales qui sont prises à l'égard de ces personnes qui n'ont pas d'autre choix que de se chauffer avec des combustibles charbon ou d'avoir un chauffage au mazout.
Puisque vous n'avez pas répondu à ma question, je suppose que, par omission, vous y avez malheureusement répondu et qu'il n'y aura visiblement aucune mesure socialement juste pour aider les citoyens qui voient leur facture augmenter. Dont acte. Quand on sait le nombre de personnes qui ont encore ce genre de chauffage chez elles, singulièrement en Wallonie, j'ai l'impression, une nouvelle fois, que vos collègues francophones ont oublié de défendre une partie de la Belgique. C'est malheureusement une constante et je ne peux que le déplorer.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
12.01 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, uw regering, de regering-De Wever, onderzoekt de verkoop van een deel van de Belgische goudreserve om de hogere uitgaven voor Defensie te financieren. Dat rapporteerde althans de zakenkrant De Tijd, een goed geïnformeerde krant, op 15 maart 2025.
Ten eerste, klopt de bewering in De Tijd?
In principe vertegenwoordigt elk aandeel een gelijk deel van het eigen vermogen en geeft het recht op een gelijk deel in de verdeling van de winsten. Meerwaarden uit of arbitrages met goud komen echter, cfr. de organieke wet van de Nationale Bank van België, blijkbaar enkel toe aan de Belgische Staat, die over de helft van de aandelen beschikt, zijnde ongeveer 200.000 aandelen.
De huidige wetgeving bepaalt dat de meerwaarde bij een verkoop op een onbeschikbare reserverekening moet worden geboekt en dat de rente op die rekening naar de Belgische Staat vloeit.
Mijn vragen zijn de volgende.
Kan de Belgische regering zomaar over de nationale goudreserves beschikken, aangezien de Nationale Bank van België eigenaar is en binnen de monetaire verplichtingen van het eurosysteem functioneert?
Zelfs indien u dat zou afspreken met de heer Wunsch – die vanochtend hier nog was – kan hij dat dan zomaar? Hij functioneert immers ook binnen het confederale model van de ECB.
Worden de privéaandeelhouders van de Nationale Bank van België volgens u voldoende beschermd en niet onrechtmatig gediscrimineerd bij de verdeling van de opbrengsten uit de meerwaarden uit of arbitrages met goud?
U zult natuurlijk zeggen dat de wet dat bepaalt, maar wij zijn de wetgevende macht. Ik vraag dus uw politieke oordeel over de vraag of u van mening bent dat er hier sprake is van discriminatie. Als het antwoord ‘ja’ is, wat is dan de verantwoording voor de ongelijke behandeling van de privé- en de publieke aandeelhouders?
Hebben de privéaandeelhouders misschien recht op de hoofdsom uit de verkoop van goud? De meerwaarden of de opbrengsten uit de verkoop of de opbrengsten uit arbitrages zijn volgens de huidige wet immers duidelijk voor rekening van de Staat.
Tot slot, is de Belgische regering van plan de huidige wetgeving aan te passen om zich alle opbrengsten toe te eigenen, dus niet alleen de meerwaarde- of arbitrageopbrengsten, maar werkelijk alle opbrengsten uit de verkoop van de nationale goudreserve, zoals gesuggereerd in het artikel in De Tijd?
Er was ook een reactie van de Nationale Bank van België, in een perscommuniqué. Ik heb daarover een bijkomende vraag. Waarom worden de gerealiseerde meerwaarden uit goudtransacties enkel geboekt op een bijzondere reserverekening op de passiefzijde van de balans van de Nationale Bank van België en niet tegengeboekt op de actiefzijde? Uiteindelijk is dat immers een opbrengst. Dat is ook een activum.
12.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vereeck, in haar persbericht van 19 maart heeft de Nationale Bank van België het wettelijke kader van toepassing op het beheer van de Belgische goudreserves in herinnering gebracht. De bank beheert die activa in het kader van haar wettelijke opdracht inzake het externe reservebeheer. In overeenstemming met het Europees rechtskader dat van toepassing is op de centrale banken van het eurosysteem doet ze dat in volle onafhankelijkheid. Ik zal de aan de bank toegewezen bevoegdheden en het principe van onafhankelijkheid van de centrale bank respecteren en mij dus onthouden van uitspraken in dat verband.
Evenmin zal ik ingaan op hypothetische scenario's. Volledigheidshalve kan worden opgemerkt dat het boeken van gerealiseerde meerwaarden op een bijzondere reserverekening op de passiefzijde van de balans van de bank overeenstemt met de wettelijk toepasselijke boekhoudkundige verwerking.
12.03 Lode Vereeck (VB): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord.
U respecteert de volledige onafhankelijkheid en ik ga er dan ook van uit dat u geen enkele vraag over de verkoop van goudreserves aan de Nationale Bank van België zult richten. Dank u.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: We zijn aanbeland bij de samengevoegde vragen nrs. 56003598C van mevrouw Verkeyn en 56003832C van de heer Van Quickenborne, maar de heer Van Quickenborne is niet aanwezig.
12.04 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijn vraag nr. 56003598C mag worden omgezet in een schriftelijke vraag.
13.01 Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le ministre, la directive européenne FASTER et sa future transposition en droit belge vont nous occuper très certainement dans les mois à venir. La Belgique a activement participé à l'élaboration de celle-ci et c’est d’ailleurs durant la présidence belge que le texte de compromis a été publié. La double imposition sur les dividendes et intérêts étrangers est complexe et coûteuse. La directive FASTER doit permettre de simplifier et d'accélérer les procédures de récupération du précompte mobilier excédentaire pour les investisseurs européens. La Belgique soutient évidemment les objectifs de la directive FASTER. La France a récemment mis en place une réduction à la source du précompte mobilier pour les bénéficiaires non-résidents, ce qui permet une réduction substantielle du taux de prélèvement sur les dividendes d’origine française. C’est une initiative qui semble anticiper l’orientation que pourrait prendre la transposition de la directive européenne elle-même.
Mes questions sont les suivantes: Comment le gouvernement prévoit-il de transposer cette directive dans notre législation nationale et, surtout, quels sont les délais envisagés? Y-a-t-il déjà des axes principaux qui ont été clairement définis quant à l'orientation prise au niveau belge? La directive FASTER laisse une certaine latitude aux États membres pour modifier les procédures de récupération du précompte mobilier. La France a instauré une procédure simple et claire de réduction du précompte mobilier à la source. La Belgique envisage-t-elle de simplifier ses démarches administratives concernant les non-résidents fiscaux afin de faciliter le processus de demande de réduction du prélèvement à la source? Une nouveauté dans la directive, c'est la création de certificats numériques de résidence fiscale. Cela vous semble-t-il une bonne solution ou en tout cas une réponse cohérente à la problématique de double imposition? Comment le nouveau gouvernement belge prévoit-il de soutenir les institutions financières belges dans l’adoption des nouvelles procédures prévues par la directive? Merci d'avance pour vos réponses.
13.02 Jan Jambon, ministre: Par rapport à votre première question, la directive doit être transposée dans la législation nationale pour le 31 décembre 2028 et doit s'appliquer à partir du 1er janvier 2030. Mon administration a déjà entamé les premières démarches préparatoires pour le processus de transposition tant au niveau législatif et administratif qu'en termes de développement de l'infrastructure technique. La directive prévoit une simplification des procédures administratives afin de réduire la retenue à la source.
En ce qui concerne le certificat de résidence numérique, la Belgique utilise un tel certificat depuis plusieurs années déjà. La valeur ajoutée de la directive réside dans le fait que le certificat de résidence sera uniformisé au sein de l'Union européenne. Tous les contribuables de l'Union européenne auront accès à un certificat de résidence fiscale commun approprié et efficace. Tout au long du processus d'élaboration de la directive, des consultations régulières ont été organisées avec les parties prenantes. Je ne vois aucune raison de déroger à cette méthode de travail. L'Union européenne élabore également de son côté des lignes directrices pour la mise en œuvre et fournit des conseils aux États membres pour le développement de l'infrastructure technique.
13.03 Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.
Nous avons effectivement encore un peu de temps, puisque c’est 2028, avec entrée en vigueur en 2030. L’important, c’est surtout que cela se fasse en bonne coopération et coordination avec l’ensemble des États concernés. C’est cela, la plus-value de la directive, comme vous l’avez dit.
Het incident
is gesloten.
L'incident est clos.
14.01 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ook hier word ik in de steek gelaten door mijn medevraagsteller, maar ik zal mijn vraag toch stellen.
Mijnheer de minister, we zien een daling in het aantal grenswerkers. Een verklaring daarvoor kan het telewerken zijn. Sinds de coronacrisis is het grensarbeiders ook toegestaan om te telewerken. Ze maken daar gebruik van, maar het is eigenlijk niet zo goed geregeld. Met Luxemburg hebben we intussen een regeling van 34 dagen, maar met de andere buurlanden nog niet.
Er zijn meerdere oplossingen. We kunnen denken aan een percentage van de arbeidstijd, een proportionele verdeling van fiscale aftrekken of een eenloketsysteem. Er is in elk geval een oplossing nodig.
Er kunnen daarvoor meerdere wegen worden bewandeld. De vorige minister van Financiën wilde dat op het niveau van de OESO regelen. We hopen dat u dat niet doet en kijkt naar bilaterale oplossingen, die sneller kunnen worden doorgevoerd.
Mijnheer de minister, op welk niveau kan de discussie volgens u het best gevoerd worden? Bent u bereid om het gesprek met onze buurlanden aan te gaan om tot een structurele fiscale oplossing te komen? Kan de oplossing met een drempelregeling van 34 dagen, zoals met Luxemburg werd overeengekomen, worden doorgetrokken? De grenswerkers rekenen in elk geval op u, mijnheer de minister.
14.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Verkeyn, het thema van het grensoverschrijdend telewerk wordt op verschillende niveaus besproken. De OESO behandelt voornamelijk de vraag of en in welke mate telewerk kan leiden tot een vaste inrichting in de staat waar het telewerk wordt uitgevoerd. Dat kan belangrijke gevolgen hebben voor de werkgever van de telewerker. De OESO is de meest geschikte instantie om dat aspect te behandelen.
De EU en de Benelux hebben zich ook over de problematiek gebogen, maar dan vooral met betrekking tot de fiscale behandeling van de verloning van telewerkers.
Tijdens het Belgische voorzitterschap van de Raad van de EU in de eerste helft van 2024 was grensoverschrijdend telewerk het onderwerp van een informele werkgroep, de taskforce Mobile Workers. Die taskforce onderzocht de voor- en nadelen van verschillende fiscale oplossingen voor die lonen, zoals de drempelregel, de belastingheffing in de staat van de werkgever, de belastingheffing in de woonstaat, gecombineerd met een beperkte belasting in de bronstaat. Ook verschillende vormen van financiële compensatie voor de verliezende staat werden onderzocht. Daaruit blijkt dat een uniforme oplossing moeilijk haalbaar is in een multilateraal kader, gezien de uiteenlopende belangen, grote verschillen in in- en uitgaande grensarbeidersstromen en verschillen in fiscale druk tussen de landen.
Ik deel dan ook uw mening dat het bilaterale niveau het meest geschikt is om de problematiek van de verloning van grensoverschrijdende telewerkers aan te pakken.
Ik ben uiteraard bereid daarover in gesprek te gaan met onze buurlanden. In die besprekingen zal ik er, net zoals mijn voorganger, voor zorgen dat de budgettaire impact in overweging wordt genomen. De drempelregel is niet de enige mogelijke oplossing. Ik sta open voor andere oplossingen, op voorwaarde dat ze budgettair neutraal en eenvoudig toepasbaar zijn voor de verschillende betrokken partijen: de telewerkers, de werkgevers en ook de belastingadministraties.
14.03 Charlotte Verkeyn (N-VA): Het is zeker zeer fijn te horen dat u de weg van het bilaterale overleg bewandelt en ook aan diverse oplossingen denkt, want het gaat wel degelijk over duizenden mensen en we zien de aantallen altijd maar verminderen. Het is natuurlijk geen goed nieuws voor onze economie wanneer onze bedrijven beginnen te kijken naar eventuele oplossingen via de single permits en oplossingen met derde landen.
Het is dus fijn om te horen dat u daarmee aan de slag gaat.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: De heer Bayet is afwezig. Zijn vraag nr. 56003714C vervalt dan ook.
15.01 Kemal
Bilmez (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, en 2024, les quatre grandes banques belges
(BNP Paribas, KBC, ING et Belfius) ont réalisé 8,35 milliards
d’euros. Ce chiffre se rapproche des bénéfices record de 2023, qui s’élevaient
à 8,5 milliards d’euros. On peut donc affirmer qu’elles se portent très
très bien.
Le
gouvernement précédent avait augmenté la taxe bancaire, en rehaussant le taux
de 0,13 % à 0,17 % uniquement pour les banques dont le portefeuille
des dépôts clients était supérieur à 50 milliards d'euros lors du
précédent exercice (ce qui est le cas des quatre grandes banques).
Dans
l’accord de gouvernement, vous indiquez que "Les contributions totales des
banques restent au même niveau qu’en 2025". Cependant, dans vos tableaux
budgétaires, dans la colonne "contributions des épaules les plus
larges" vous estimez que le rendement de la contribution bancaire augmentera à l’avenir.
Plus précisément, vous estimez les augmentations suivantes:
2027: + 310 millions
d’euros
2028: + 270 millions
d’euros
2029: + 230 millions
d’euros.
Voici
donc mes questions:
Si le but
est de maintenir les contributions des banques au même niveau qu’en 2025, comme
expliquez-vous une augmentation du rendement de la contribution bancaire à
partir de 2027?
Si vous
ne modifiez pas la taxe, est-ce que cette augmentation est due à une croissance
des portefeuilles des dépôts clients?
15.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Bilmez, les chiffres de la Banque nationale de Belgique (BNB) montrent que les banques belges ont enregistré de bons résultats en 2024, sans que ceux-ci puissent cependant être considérés comme exceptionnels. Les bénéfices de 2024 sont par ailleurs en retrait par rapport aux résultats de 2023.
Les adaptations graduelles de la rémunération de l’épargne doivent se faire en tenant compte, notamment, de la marge d'intérêt des banques, soit la différence entre le rendement moyen de leurs actifs – par exemple, les crédits hypothécaires – et la rémunération payée sur leurs passifs – comme les intérêts sur les dépôts des particuliers. La BNB a précisé à cet égard que le taux de dépôt de la Banque centrale européenne (BCE) ne peut être considéré comme une mesure correcte de la marge d’intérêt des banques belges. En effet, la marge d’intérêt des banques est, notamment, déterminée par le rendement du portefeuille de crédits hypothécaires et, pour certaines banques, dans une mesure significative. Ce rendement n’augmente que très graduellement, les crédits hypothécaires étant en Belgique majoritairement à taux fixes, des taux qui, de plus, sont établis ou revus à de très faibles niveaux. Or, cette marge d’intérêt est un paramètre crucial pour déterminer dans quelle mesure le taux d’intérêt sur les carnets d’épargne peut être relevé sans entrainer de risques pour la rentabilité à long terme et la stabilité financière des établissements de crédit individuel ou du système financier belge dans son ensemble. Ces risques diffèrent également d’une banque à l’autre en fonction de leur modèle d’entreprise.
Concernant l’accès des citoyens aux crédits hypothécaires, on observe que la concurrence est forte sur ce marché. Au cours des dernières années, cette concurrence a mis sous pression la marge commerciale des prêteurs, qui était inférieure au niveau auquel on aurait pu s’attendre sur la base des évolutions passées. La remontée des taux du marché observée dès 2022 avait pesé sur la croissance des crédits hypothécaires, qui était toutefois restée positive en Belgique, et plus élevée que la moyenne en Europe, notamment en raison d’un allongement de la durée des crédits. Depuis plusieurs mois, la croissance des crédits hypothécaires s’oriente de nouveau à la hausse.
L'accord de gouvernement fait référence à la contribution totale du secteur bancaire. Les banques versent aussi des contributions pour, par exemple, le fonds de garantie. Ces contributions devraient normalement diminuer dans les prochaines années. En maintenant la contribution totale du secteur bancaire au niveau de 2025, ce que les banques verseraient en moins au fonds de garantie, elles devraient le verser en plus à titre de taxe bancaire.
15.03 Kemal Bilmez (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, je pense que la première partie de votre réponse concernait la question de M. Bayet. J'espère qu'il en prendra connaissance.
Je vous remercie pour votre réponse et pour les chiffres. Je ne suis pas d'accord: les 8,35 milliards d'euros de bénéfices des banques l'année passée ont atteint un record; ils étaient exceptionnels.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56003781C van de heer Daerden wordt op zijn verzoek uitgesteld. Vraag nr. 56003784C van de heer De Smet wordt omgezet in een schriftelijke vraag.
16.01 Kemal
Bilmez (PVDA-PTB):
Monsieur le ministre, dans le cadre de la réforme fiscale, vous allez relever
le montant de la quotité exemptée d’impôt. Les tableaux budgétaires que vous
nous avez fournis en février estiment l’impact budgétaire de cette modification
comme suit: 375 millions en 2026; 500 millions en 2027; 750 millions en 2028;
3,507 milliards en 2029.
En suivant
ce timing, 80 % de l’effet de cette mesure n’arrivera qu'en 2029, dans
quatre ans.
La semaine
passée, vous avez précisé que la quotité exemptée d’impôt s’élèvera à
13 700 euros en 2029, sans indexation.
Monsieur le
ministre, confirmez-vous le timing de cette mesure tel qu’indiqué dans les
tableaux budgétaires? L'enveloppe budgétaire de 3,507 milliards d’euros prévue
dans vos tableaux pour 2029 est-elle suffisante pour rehausser la quotité exemptée
d’impôt jusqu’à 13 700 euros en 2029?
Voici un cas
concret. Quelle sera l’augmentation de revenu net mensuel pour un ouvrier isolé
qui travaille à temps plein et qui perçoit le salaire minimum?
16.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Bilmez, vous vous basez sur un tableau de travail. Je le répète, après l'avoir déjà dit en commission des Finances, la quotité exemptée augmentera pour approcher les 13 700 euros. L'impact sur le salaire net dépendra aussi d'autres mesures comme le bonus à l'emploi et l'adaptation de la cotisation spéciale de sécurité sociale.
Ces mesures seront développées plus en détail au sein du gouvernement. Il faudra donc encore un peu de patience pour obtenir une simulation concrète. L'objectif est en effet d'apporter un soutien supplémentaire principalement aux salaires minimums afin que le travail soit toujours rémunérateur et que nous puissions évoluer vers une différence de 500 euros entre le travail et l'inactivité.
16.03 Kemal Bilmez (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.
Nous attendons ces modalités avec impatience ainsi que les détails de vos plans, étant donné que la promesse d'avoir plus de net pour les travailleurs est un des aspects les plus importants de l'accord de gouvernement.
Nous répétons une énième fois que la différence entre travailler et ne pas travailler est déjà, dans la grande majorité des cas, de plus de 500 euros. Essayez dès lors de ne pas toujours utiliser cet argument!
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
17.01 Steven Matheï (cd&v): Mijnheer de minister, gisteren, 31 maart, was de laatste dag voor de aangifte van de patrimoniumtaks, die we kennen als een taks specifiek voor vzw's. Vorig jaar, tijdens de vorige legislatuur, werd die taks helemaal hervormd met een aantal progressieve tarieven, maar ook met een aantal gedeeltelijke vrijstellingen, ten bedrage van 62,3 %.
Vorig jaar was dat nieuw systeem voor het eerst van toepassing. Ook dit jaar is men al druk bezig geweest met de voorbereidingen. We zien echter dat het nu, in 2025 – dus voor de aangifte van 2024 – heel wat moeilijker gaat omdat veel vzw's heel wat opmerkingen hebben gekregen van de FOD Financiën.
Zo wordt gesteld dat vrijstellingen enkel kunnen worden toegepast als al bij de aangifte bewijsstukken worden toegevoegd. Vervolgens worden er betalingsberichten gestuurd waarbij de administratie geen rekening houdt met de aangevraagde gedeeltelijke vrijstellingen, omdat de administratie stelt dat die eerst moeten worden bewezen. De administratie eist tevens dat in de aangifte ook telkens letterlijk het artikel uit het Wetboek der successierechten wordt vermeld. Ook vraagt de administratie nu opeens dat ook de kasgelden, die eigenlijk niet onder de belastbare basis vallen, expliciet worden opgenomen in de aangifte. Kortom, er worden heel wat nieuwe zaken opgevraagd die voorheen niet werden gevraagd, onzes inziens zonder dat er daarvoor een wettelijke basis bestaat.
Mijnheer de minister, bestaat er een bepaalde instructie of richtlijn, zoals bepaalde ambtenaren stellen in hun antwoorden en brieven, volgens dewelke de gedeeltelijke vrijstelling alleen kan worden toegepast na het aanleveren van bewijzen van gedeeltelijke vrijstelling?
Is het vereist dat ook kasgelden en andere bezittingen die niet tot de belastbare basis van de patrimoniumtaks behoren, worden opgenomen in de aangifte? Is het vereist om de toegepaste artikelen uit het Wetboek der successierechten expliciet in de aangifte op te nemen? Is het vereist om bewijsstukken bij de aangifte te voegen om aan te tonen dat men onder de gedeeltelijke vrijstelling valt?
Zal de in uw beleidsverklaring aangekondigde tolerantie ten aanzien van de fout te goeder trouw of de eerste fout worden doorgetrokken naar de patrimoniumtaks?
17.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Matheï, de sedert 1 januari 2024 ingevoerde fiscale gunstregimes bedoeld in artikel 150, tweede lid, bepalingen 6° tot 15°, van het Wetboek der successierechten, gelden niet voor gehele sectoren, maar telkens per fiscaal gunstregime specifiek voor welbepaalde belastingplichtigen, waarbij per gunstregime bovendien aan welbepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. De verschuldigde taks moet bovendien worden betaald vóór het verstrijken van de wettelijke indieningstermijn, zonder dat daarvoor een betaalbericht moet worden toegestuurd. De administratie is gerechtigd om de toepassing van een door de belastingplichtige in de aangifte ingeroepen fiscaal gunstregime te weigeren wanneer bij controle wordt vastgesteld dat niet voldoende bewijs voorligt dat dit fiscaal gunstregime toepassing vindt.
In de aangifte moeten alleen de belastbare bezittingen worden opgenomen, tot die conclusie kom ik als ik artikel 151, eerste en vierde lid, van de wet op de successierechten samen lees met artikel 42, ten zesde, van diezelfde wet. De belastingplichtige moet hierbij wel rekening houden met het feit dat hij de niet-belastbaarheid van niet-aangegeven bezittingen zal moeten kunnen bewijzen wanneer dat hem gevraagd wordt.
Er wordt weliswaar opgemerkt dat uit het Wetboek der successierechten niet kan worden afgeleid dat alle kasgelden zonder meer geen belastbare bezittingen zijn. Wel maken de liquiditeiten en het bedrijfskapitaal, bestemd om gedurende het jaar verbruikt te worden voor de activiteit van de belastingplichtige, geen deel uit van de belastbare bezittingen. Dat is artikel 150, tweede lid, 3°.
Vermits de taks in de regel wordt geheven op zicht van de aangifte, moet die aangifte alle nodige gegevens bevatten, zodat op zicht van die aangifte een correcte heffing kan gebeuren. Een belastingplichtige die kan genieten van het fiscaal gunstregime van artikel 150, tweede lid, 6° tot en met ten 15°, moet dan ook in de aangifte verklaren dat desbetreffend fiscaal gunstregime op hem van toepassing is, wat inderdaad de vermelding van het concrete wetsartikel vereist.
Wat betreft de toepassing van artikel 150, tweede lid, 6° tot en met 15°, wordt het de belastingplichtige sterk aanbevolen om bewijsstukken bij de aangifte te voegen, waarin wordt aangetoond dat het concreet ingeroepen fiscaal gunstregime van toepassing is. Er bestaat daartoe weliswaar geen wettelijke verplichting. In het geval dat die bewijsstukken niet bij de aangifte worden gevoegd, kan de voorlegging nadien wel nog worden gevraagd. Er bestaat hier thans geen regelgevend kader voor. In uitvoering van het federaal regeerakkoord zal de administratie de non-profitfiscaliteit evalueren.
17.03 Steven Matheï (cd&v): Mijnheer de minister, het spreekt voor zich dat er correcte aangiftes moeten gebeuren. Op het terrein merkt men wel op dat er heel wat verwarring is rond die bewijsstukken. U verklaart hier dat de wet niet verplicht dat bewijsstukken worden bijgevoegd, maar in de praktijk krijgen belastingplichtigen brieven waarin de desbetreffende ambtenaar zeer duidelijk zegt de instructie te hebben gekregen om de vrijstellingen slechts toe te passen indien de bewijsstukken worden aangeleverd bij de aangifte. Ik merk daar dus een klein onderscheid.
Voor volgend jaar vind ik het zeer belangrijk om duidelijk te communiceren wat verwacht wordt. Dat zal voor veel minder frustratie zorgen, zowel bij de belastingplichtige vzw's als bij de bevoegde ambtenaren.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
18.01 Steven Matheï (cd&v): Mijnheer de minister, enerzijds is in het regeerakkoord afgesproken dat de aftrekbaarheid van onderhoudsuitkeringen gradueel zal dalen van 80 % naar 50 %. Ook staat er letterlijk dat de uitkeringen naar landen buiten de EER niet langer aftrekbaar zullen zijn. Anderzijds legt het regeerakkoord de nadruk op rechtszekerheid, voorspelbaarheid en een goede relatie met belastingplichtigen. Onderhoudsuitkeringen zijn vastgesteld door vonnissen of onderlinge akkoorden en bij de sluiting van die akkoorden werd ook rekening gehouden met de aftrekbaarheid. Er wordt concreet bekeken wanneer het haalbaar is om een bedrag te betalen en wanneer niet. Er moet over worden gewaakt dat de in het regeerakkoord aangekondigde aanpassingen niet retroactief van toepassing worden.
Hoe zal de maatregel betreffende de onderhoudsuitkeringen en de daling van 80 % naar 50 % worden geïmplementeerd? Komt er een overgangsmaatregel?
Kunt u bevestigen dat de verlaging enkel effect zal hebben op nieuwe vonnissen of onderlinge overeenkomsten?
Welke impact verwacht u op de werking en het budget van de Dienst voor alimentatievorderingen (DAVO)? Die dienst zal immers in de tweede lijn waarschijnlijk effecten ondervinden van de eventuele niet-nakoming van bepaalde afspraken rond de onderhoudsuitkeringen.
18.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Matheï, een groot aantal fiscale maatregelen van het regeerakkoord, waaronder de beperking van de aftrekbaarheid en de belastbaarheid van onderhoudsuitkeringen, worden momenteel in de regering besproken. Het is mijn bedoeling om de teksten zo snel mogelijk aan de Kamer voor te leggen, waarna ze kunnen worden toegelicht in de commissie voor Financiën en Begroting.
Het is de bedoeling dat de verlaging van de aftrekbaarheid en de belastbaarheid van onderhoudsuitkeringen van 80 % naar 50 % gespreid wordt over drie jaar, te beginnen met het inkomstenjaar 2025, zodat onderhoudsuitkeringen die vanaf 1 januari 2027 worden betaald, nog voor 50 % aftrekbaar en belastbaar zijn. Er wordt niet in specifieke overgangsmaatregelen voorzien. De verlaging zal gelden voor alle onderhoudsuitkeringen, dus ook voor uitkeringen op basis van bestaande vonnissen. Ik benadruk dat de hervorming samengaat met een drastische verhoging van de belastingvrije som met 3,5 miljard euro en met een belastingverlaging. De maatregel moet er ook voor zorgen dat onze fiscaliteit wat meer samenlevingsneutraal wordt.
Voorts wil de regering de werking van de DAVO versterken door die in staat te stellen om het bedrag van de alimentatie automatisch aan de bron – de inkomsten van de onderhoudsplichtige ouder – af te houden en breidt zij de werkingssfeer uit. Daarbij ligt de nadruk op het weghalen van drempels voor kwetsbare groepen. We passen de maximumbedragen aan, we bekijken of we de plafonds kunnen schrappen en zetten ook maximaal in op de terugvordering van achterstallig onderhoudsgeld.
De voorschotten moeten automatisch worden toegekend. We onderzoeken voorts hoe we kunnen waarborgen dat de bedragen maximaal overeenkomen met het effectieve bedrag van het verschuldigde en onbetwiste onderhoudsgeld.
Daarvoor kijken we naar de aanbevelingen van het Rekenhof en vereenvoudigen we de procedure. We bekijken de mogelijkheid om het onderhoudsgeld terug te vorderen via de belastingen. We stimuleren ook de OCMW’s om onderhoudsgeld te vragen bij de ex-partner van een OCMW-cliënt, wanneer die partner dat niet zelf heeft gedaan.
18.03 Steven Matheï (cd&v): Ik dank u voor het antwoord.
Ik juich het toe dat u de werking van de DAVO zult versterken en uitbreiden en dat voorschotten automatisch zullen worden toegekend.
In het regeerakkoord wordt inderdaad aangekondigd dat de fiscale aftrekbaarheid wordt afgebouwd. Ik waarschuw er wel voor om niet te zeer te raken aan de bedragen die in het verleden werden afgesproken. Zo niet, loopt u het risico dat afspraken zowel voor de rechtbank als tussen ex-partners opnieuw ter discussie staan, mogelijk met tal van procedures tot gevolg.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: De vragen nr. 56003881C en nr. 56003882C van mevrouw Bertrand, die niet aanwezig is, vervallen. De heer Van Quickenborne is eveneens afwezig. Dus ook zijn vraag nr. 56003888C vervalt.
19.01 Steven Matheï (cd&v): Mijnheer de minister, het UBO-register is belangrijk in het kader van de bestrijding van witwassen. In het regeerakkoord wordt daar terecht heel wat aandacht aan besteed, meer bepaald om de administratieve overlast hieromtrent tot een minimum te herleiden. Er loopt al geruime tijd een enquête over het UBO-register op de website van de FOD Financiën.
Tot wanneer loopt die enquête? Hoeveel keer werd ze al ingevuld? Zijn er al tussentijdse resultaten beschikbaar? Wat is de finaliteit van de enquête? Dat is vooral zeer nuttig om te weten in combinatie met wat in uw beleidsverklaring en het regeerakkoord staat.
19.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Matheï, de enquête is permanent beschikbaar op de website van de FOD Financiën. Sinds de lancering op de website op 27 september 2023 hebben 6.894 mensen de enquête ingevuld.
De antwoorden worden regelmatig geanalyseerd. De belangrijkste bevindingen zijn de volgende. Sommige respondenten ondervinden moeilijkheden bij het registreren van de uiteindelijke begunstigden in het UBO-register. De genoemde redenen zijn de complexiteit van het gebruik van de toepassing, de navigatie op de website en het gebrek aan duidelijkheid van de informatie. Voorts willen de respondenten een vereenvoudiging van de procedures en wijzen ze erop dat onze communicatie kan worden verbeterd door het vaker versturen van herinneringen en proactieve informatie over het UBO-register vanaf de oprichting van de ondernemingen. Ze vragen ook om meer ondersteuningsmiddelen.
Het doel van de enquête is om de tevredenheid van onze klanten te verbeteren om, rekeninghoudend met hun feedback, onze dienstverlening te optimaliseren, zoals de inhoud en navigatie in de applicatie UBO, de beschikbare informatie op de webpagina gewijd aan het UBO-register, onze e-mails en onze ondersteuningsmiddelen. Zoals u weet, is het mijn ambitie om de administratieve verplichtingen met betrekking tot het UBO-register grondig te verminderen. Ik hoop daar uiteraard uw steun voor te krijgen, maar daar ga ik van uit.
19.03 Steven Matheï (cd&v): Voor de vereenvoudiging van het UBO-register en het praktischer en toepasbaarder maken ervan, hebt u zeker onze steun. Het is een goede zaak dat de enquête loopt en dat ze permanent wordt gemonitord. De resultaten zijn op zich wel zeer interessant om ermee aan de slag te gaan. Dat kunnen we alleen maar toejuichen.
We volgen samen met u de ontwikkelingen verder op, opdat het voor onze ondernemingen en onze verenigingen makkelijker wordt deze tool, die het witwassen tegengaat, zo goed mogelijk te verwerken en toe te passen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
20.01 Steven Matheï (cd&v): Er bestaat een btw-vrijstelling van 25.000 euro voor kleine ondernemingen. Sinds 1 januari 2016, onder toenmalig minister Van Overtveldt, valt de uitbating van de cafés van jeugdhuizen, die in een specifieke context opereren, onder de reguliere btw, en dus eventueel onder de btw-vrijstelling voor kleine ondernemingen. Na overleg met de sector is toen een vrijstelling van 80.000 euro in het leven geroepen. Die werd toen ook in een circulaire bevestigd.
Blijft u bij de redenering van uw voorganger dat jeugdhuizen hetzelfde fiscaal regime moeten volgen als commerciële cafés? Is dat gerechtvaardigd?
Bent u bereid om het huidige bedrag van 80.000 euro, dat als drempel voor btw-plicht geldt specifiek voor de jeugdhuizen, aan te passen aan de index en te verhogen naar bijvoorbeeld 90.000 of 100.000 euro? Zo ja, op welke termijn overweegt u die aanpassing?
Bent u bereid de bepalingen in de circulaire te herzien om beter rekening te houden met de heel specifieke situatie van jeugdhuizen?
20.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Matheï, de jeugdhuiswerking valt in de regel onder het toepassingsgebied van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek. In de meeste jeugdhuizen wordt in het kader van de vrijgestelde activiteiten een drankgelegenheid uitgebaat, die zich meestal in de ontmoetingsruimte bevindt. Voor de dranken en kleine versnaperingen die bij een dergelijke uitbating worden verstrekt, is de hierboven genoemde vrijstelling in principe van toepassing. Er wordt immers aanvaard dat de uitbating van de drankgelegenheid wordt gezien als een geheel van handelingen ten bate van de jeugd en dus vrijgesteld is indien die drankgelegenheid alleen toegankelijk is voor de bij het jeugdhuis aangesloten leden.
Tegelijk is de exploitatie van een drankgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is intrinsiek vreemd aan de sociale doelstelling van een jeugdhuis, met name de jeugdbescherming, die als een doelstelling van algemeen belang wordt beschouwd. De vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek is in dat geval in principe niet van toepassing ten aanzien van de omzet die daarbij wordt gerealiseerd. Er worden in die omstandigheden immers dranken verschaft aan personen die volledig vreemd zijn aan het doelpubliek dat in de vrijstellingsbepaling wordt beoogd. Daarbij is dat doelpubliek dus niet de eindontvanger van de betrokken handelingen.
De gepubliceerde administratieve beslissing nr. E.T. 128.632 van 5 november 2015, waarnaar u verwijst, bepaalt evenwel een drempel van 80.000 euro omzet van de drankgelegenheid als grenswaarde op grond waarvan bij toegeving toch wordt aanvaard dat er in het geval van een exploitatie door een jeugdhuis van een drankgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is, geen belemmering is voor de toepassing van de vrijstelling.
Die beslissing had als doel op een genuanceerde en evenwichtige manier rechtszekerheid te verschaffen, waarbij tegelijk toch een aanvaardbare tegemoetkoming werd gedaan voor de sector zelf zonder een onaanvaardbare concurrentieverstoring te laten voortbestaan.
Er mag niet uit het oog worden verloren dat de drempel van 80.000 euro reeds merkelijk hoger ligt dan de drempel van 25.000 euro die geldt voor de algemene vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen. Dat is eveneens het geval ten opzichte van de drempel van 25.000 euro die de administratie hanteert in verband met de mogelijkheid van het al dan niet aanwezig zijn van potentiële concurrentieverstoring van enige betekenis en dus de al dan niet belastingplicht in hoofde van publiekrechtelijke lichamen, in de zin van artikel 6 van het Btw-Wetboek.
Het is bijgevolg niet vanzelfsprekend om de drempel van 80.000 euro te verhogen, wetende dat die een toestand bestendigt die afwijkt van wat mogelijk is volgens de btw-richtlijn. Een eventuele toekomstige herziening van die drempel dient te gebeuren op basis van objectieve gegevens.
20.03 Steven Matheï (cd&v): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord.
Uit uw antwoord blijkt heel duidelijk dat het alleen toegankelijk zijn voor leden een eerste belangrijke opsplitsing maakt, namelijk tussen een jeugdhuis waar er geen btw-plicht is, omdat het vrijgesteld is op basis van artikel 44 zoals geciteerd, en een jeugdhuis dat toegankelijk is voor iedereen en dat onder het gewone regime valt, waar de bijkomende vrijstelling van 80.000 euro voorzien is.
Ik heb in uw antwoord heel goed gehoord dat het niet vanzelfsprekend is om die drempel aan te passen. Dat is niet hetzelfde als onmogelijk, dus ik zou er toch op willen aandringen om de indexatie in overweging te nemen en door te voeren, want dat betekent in de praktijk heel wat voor de jeugdhuizen, die in die tien jaar tijd alleen al door de indexatie een stukje meer opgeschoven zijn naar boven.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
21.01 Steven Matheï (cd&v): Mijnheer de minister, in het regeerakkoord staat een belangrijke bepaling over de non-profitfiscaliteit met een aantal principes – vereenvoudiging, rechtszekerheid, duidelijkheid – en met oog voor de gezonde financiële situaties van non-profitorganisaties en vzw's. Het is een passage die ook in uw beleidsverklaring aan bod kwam. Er werd ook gesuggereerd om de patrimoniumtaks bij die oefening te betrekken.
Mijnheer de minister, wat is de concrete aanpak van die grote oefening? Is er al in een timing bekend? Wordt de sector betrokken? Kunt u ook bevestigen dat andere belastingen, zoals de patrimoniumtaks, de btw enzovoort in de oefening worden meegenomen?
21.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Matheï, de fiscale maatregelen uit het regeerakkoord worden momenteel door mijn diensten uitgewerkt. Ik ben het eens met de principes die u naar voren schuift.
Ik zal bij de hervorming uiteraard overleg plegen met de relevante stakeholders. Het lijkt me logisch dat alle belastingen, zoals de patrimoniumtaks en de btw, in de oefening worden opgenomen.
Het is een kort antwoord, maar ik denk dat u dit wilde horen.
21.03 Steven Matheï (cd&v): Het is een kort antwoord, maar een goed antwoord. Ik wil wel oproepen om die problematiek zeker vast te pakken. We zullen dat van nabij volgen en daaraan meewerken waar mogelijk, zoals we in het verleden al hebben gezegd.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
22.01 Steven Matheï (cd&v): Wanneer mensen geld doneren aan erkende organisaties zijn die laatste verplicht om fiscale attesten op te stellen. In principe is er een nieuwe verplichting om een rijksregisternummer of nationaal nummer te hechten aan giften die in 2024 worden ontvangen. Men heeft nu evenwel gezegd dat dat een zeer grote impact op de sector heeft en dat men daarvoor een tolerantie zal invoeren.
Klopt het dat de tolerantie die gold voor vorig jaar wordt voortgezet en wordt verlengd voor 2025? In concreto gaat het dus over de giften die in de loop van 2025 worden gegeven en zullen worden ingediend door de desbetreffende erkende organisaties in het voorjaar van 2026. Wordt die tolerantie dus verlengd? Indien ja, wordt dat ook gecommuniceerd naar de betrokken organisaties? Kunt u ten slotte ook bevestigen dat de aftrekbaarheid voor schenkers behouden blijft, zelfs als het nationaal nummer niet werd verstrekt in de fiscale attesten?
22.02 Minister Jan Jambon: De tolerantie werd inderdaad verlengd voor giften ontvangen in 2025. De betrokken instellingen mogen dus ook voor giften ontvangen in 2025 met aanslagjaar 2026 nog attesten opmaken en de gegevens versturen via Belcotax-on-web zonder vermelding van het nationaal nummer van de schenker. Die informatie werd al gecommuniceerd via de website van de FOD Financiën. Als daarover nog steeds onduidelijkheid bestaat bij de sector, zal ik bekijken welke extra maatregelen we nog kunnen nemen.
Wanneer een belastingplichtige beschikt over een fiscaal attest 281.71, maar de begiftigde instelling het nationaal nummer van de schenker daarop niet heeft vermeld, heeft dat niet tot gevolg dat de belastingplichtige zijn belastingvoordeel voor giften zal verliezen.
22.03 Steven Matheï (cd&v): Het is een goede zaak dat de tolerantie wordt verlengd om hen ook in staat te stellen om heel wat aanpassingen te doen, die meer werk vergen dan vooraf gedacht. Ik dank u dat de aftrekbaarheid van giften wordt bevestigd voor schenkers zonder nationaal nummer op hun attest.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.50 uur.
La réunion publique de commission est levée à 15 h 50.